Skip to content

Tuindorp Vreewijk verliest een échte verbinder

Door Janny Kok

Alle betrokkenen bij het oude buurthuis De Brink en degenen die sociaal-cultureel werker en oud-coördinator Ton ten Klooster hebben gekend, hebben geschokt gereageerd op diens overlijden. Hij was een échte sociale verbinder , hetgeen onder meer bleek door zijn activiteiten rond het 100-jarig bestaan van De Brink. Dit hoofdstuk uit het uitgegeven boek 100 Jaar De Brink geeft daarvan een indruk.

Renovatie en nieuwbouw De Brink:
ARCHITECTUUR MET MENS CENTRAAL
EN NIET HET GEBOUW

Ga er maar aanstaan als jong architect begin jaren 70 en de jaren 80 van de vorige eeuw: je neemt je vak serieus, maar je moet waarschijnlijk aan het idee wennen dat opdrachtgevers en bewoners zich bemoeien met jouw vakmanschap. Voor architect Jan Weeda en andere sociaal ingestelde vakbroeders was en is dat geen probleem. Weeda zegt over zijn insteek in het vak: “Voor mij is het niet ‘doe mij maar een mooi gebouw’ en ‘ik heb dat en dat van je gezien’; doe mij ook zoiets. Dat vind ik niet interessant. Mijn intentie en drijfveer waar ik warm van werd, was om me te verdiepen in wat mensen in de Brink met sociaal-cultureel werk wilden en hoe dat er in het gebouw uit moest zien. Mensen die erin rondlopen moeten zich er immers thuis voelen.”

De veelzijdige architect Weeda en sociaal-cultureel werker en oud-coördinator Ton ten Klooster van De Brink zijn voor dit boek met plezier in gesprek gegaan over de voorbereidingen en de uitvoering van de restauratie en nieuwbouw van het historische gebouw dat het Zuider Volkshuis was, en dat in de jaren 70 als De Brink de functiebenaming buurthuis kreeg. Opdrachtgever en opdrachtnemer stonden in 1987 voor de taak om samen met gebruikers en buurtbewoners een ontwerp te maken voor het gebouw dat aan alle denkbare wensen en eisen zou moeten voldoen.

Dat waren er nogal wat, zoals in het toenmalige programma van eisen blijkt. Weeda en Ten Klooster herinneren zich dat gebruikers en bewoners wel vertrouwen in de gevormde bouwcommissie hadden, maar dat er ook een sfeer was van ‘je weet het maar nooit met zo’n architect’. Ten Klooster memoreert de betrokkenheid van bestuursleden – onder wie het in Rotterdamse organisaties sociaal zeer betrokken bestuurslid André Bimmel, die architect Weeda aantrok voor het project – en bewoners. De bouwcommissie had ook te maken met de woningcorporatie Maatschappij Vreewijk en de rol die deze in restauratie en nieuwbouw voor zich opeiste.

Het staat vast dat de uitgangspositie van bouwheer en architect niet bepaald riant was. Het onderhoud van karakteristieke gebouw liet door geldgebrek en de complexiteit van de indeling nogal te wensen over. Een aantal ruimten werd in de jaren 80 nauwelijks meer gebruikt en de verveelde jongeren van destijds wisten kennelijk niets anders te doen dan wekelijks ramen in te gooien. Het enige dat het buurthuis budgettair als oplossingen kon bieden was rolluiken voor de ramen te plaatsen of afdek planken ervoor te spijkeren.

Weeda merkt daarover dit op: “Die rolluiken zaten er zeker niet voor niets, dus in de leuke gesprekken over veiligheid was het standpunt van de bouwcommissie ‘doe maar geen ramen in het nieuwe tussengebouw, want die worden binnen twee dagen kapot gegooid’. Ik wist het vertrouwen te wekken dat mensen voorzichtiger met het gebouw omgaan als je het goed verzorgd en je bijvoorbeeld laat zien dat als er een raam stuk is, je het de volgende dag repareert.” Ten Klooster reageert direct daarop met: “Dat heb je destijds heel vaak gezegd en je hebt gelijk gekregen”.

Desondanks waren er wat critici die pas overtuigd waren toen het vandalisme van Vreewijkse jongeren na de vernieuwbouw en nieuwbouw werkelijk stopte. De uitzondering daarop vormden jongeren uit IJsselmonde en Beverwaard die daarna in een jaarwisseling alle ramen van De Brink aan diggelen gooiden. Afgezien daarvan bleek de stelregel ‘je mag gezien worden in het gebouw, dat nodigt uit en het is een vorm van veiligheid’ in de dagelijkse praktijk te werken. Weeda zegt daarover dat rare donkere hoekjes in en om een gebouw vaker uitnodigen tot zaken die je er liever niet wilt hebben, dan openheid.

De architect en de bouwcommissie werden het al overleggende eens over de aanpak van de renovatie en nieuwbouw. “Het was kruip door, sluip door in het oude gebouw”, herinnert Weeda zich over de oude toestand in De Brink. Hij zegt dat hij graag wat oude foto’s als referentiekader had gehad voor zijn ontwerp en het ook handig was geweest om de huidige digitale techniek te kunnen gebruiken voor de presentatie van de bedachte nieuwe situatie in en om het pand. Weeda moest zijn ideeën daarover met vakinhoudelijk denken, een luisterend oor voor de insprekers en een potlood verduidelijken. Hij zegt over die manier van doen dit: “Ik hield het potlood vast, maar het werd gestuurd door hetgeen jullie zeiden. Ik heb weer kaas gegeten van wat uiteindelijk het ontwerp moet zijn.”

Dat resulteerde in het in standhouden van de voorgevel van het hoofdgebouw waarin de oorspronkelijke symmetrische structuur werd teruggebracht en het trappenhuis zo open mogelijk werd gemaakt. Weeda deed dat uit respect wat er oorspronkelijk door de architecten Roos en Overeijnder was bedacht. Hij besloot het toenmalige bouwdeel tussen hoofdgebouw en gymzaal te slopen en daarin een nieuw tussenstuk te plaatsen. Dat bleek een goede oplossing te zijn voor de nieuwe entree en de hele routing in het gebouw in vernieuwde vorm.

Het middeldeel van het complex is bewust heel bescheiden gehouden, omdat de nieuwbouw niet het totale aanzicht mocht gaan overheersen. Het zegt iets over de visie van Weeda over de architectuur. Naar zijn mening hoeft een architect niet zijn signatuur af te geven om in de krant of vakblad te komen voor zijn buitengewone ontwerpen. “Het gebouw is van de gebruikers en niet van mij”, zegt hij erover en ook “ik durf wel te zeggen dat het monumentale van het hoofdgebouw versterkt is doordat we het rare stukje daarachter hebben vervangen door iets sobers. Ik ben blij dat ik heb kunnen voorstellen dat we het torentje op het hoofdgebouw van binnenuit zouden kunnen zien.”

Dat is dan ook verwezenlijkt, al is het ornament van een vaantje in de vorm van een schip niet meer op het torentje te zien. Het was een paar jaar in het pand te vinden, maar verdween plotseling. In 2018 werd duidelijk wie er verdacht kon worden van de verwijdering van het vaantje en herplaatsing in het voormalige Heineken gebouw aan de Linker Rottekade in Rotterdam. Ten Klooster en Weeda waren het tijdens hun gesprek erover eens dat het ornament zeker in De Brink hoort en het liefst weer op het torentje.

Het kan als een negatief gegeven worden beschouwd dat er eind jaren 80 geen budget was om het vaantje in scheepsvorm te restaureren en daarna weer op het torentje van het hoofdgebouw te plaatsen, maar daar stonden veel positieve veranderingen tegenover. De openheid in het ontwerp voor renovatie en nieuwbouw van De Brink had zeker een onverwacht bijkomend positief effect op het sociaal-cultureel werk in het buurthuis. Ten Klooster blikt terug al hij het heeft over de gang van zaken in het oude pand: “Er was nogal een besloten groep van een paar families die bepaalden wat er gebeurde in De Brink. De rest kwam daar eigenlijk niet tussen. Die situatie veranderde gelukkig na de verbouwing en nieuwbouw.”

De architect vindt het interessant om van dat effect kennis te nemen. Beide gesprekspartners kijken tenslotte met voldoening terug op het resultaat van de vernieuwbouw en nieuwbouw van De Brink eind jaren 80. In het gesprek zijn beiden het erover eens dat de tijdgeest bepalend kan zijn voor het architectonisch ontwerp. In tegenstelling tot architecten die eisen dat er in de loop van jaren niets in hun oorspronkelijke ontwerp wordt gewijzigd, vindt Weeda het niet erg als zijn ontwerp ingrijpend zou worden veranderd. Hij wil daarvan wel op de hoogte worden gesteld. Dat is in de huidige veranderingen in De Brink alleen niet gebeurd.

Ten Klooster plaatst in het gesprek met Weeda een aantal kritische kanttekeningen in de recente veranderingen, inclusief de geplaatste nieuwe keuken die een kostenpost van 20.000 euro vertegenwoordigde. Die werden door de gemeente Rotterdam gedekt, dus is er in feite sprake van uitgegeven belastinggeld van de gebruikers van het pand. “Er wordt tegenwoordig staccato nagedacht over sociaal-cultureel werk en wat daarvoor nodig is”, aldus Ten Klooster die memoreert dat een horeca werkgelegenheidsproject van De Brink aan De Overkant van het buurthuis eind jaren 80/begin jaren 90 mislukte, al moet daarbij worden opgemerkt dat het daarna door professionals gedreven restaurantje heel succesvol werd. De jarenlange exploitanten daarvan gaven het de naam RoosMarijn.

Die naam leeft nog voort in de tenaamstelling RoosMarijn in Het Witte Paard aan de Groenezoom. Het architectenbureau De Roos & Overeijnder ontwierp begin 20ste eeuw niet alleen het toenmalige Zuider Volkshuis (al tientallen jarenlang De Brink), de Brinkpoort en 500 woningen tussen Groenezoom, Langegeer en Lede, maar ook dit karakteristieke restaurant annex toenmalige herberg Het Witte Paard. Architect Weeda vond het net voor het 100-jarig bestaan van De Brink in ieder geval interessant om wanneer nuttig en nodig terug te gaan naar het oorspronkelijk ontwerp voor het sociaal-cultureel centrum: “samen met de gebruikers en met respect voor de bedenkers daarvan. Dat bedoel ik met zorgvuldigheid in het ontwerp.”



Geschreven door: Janny Kok

02/12/2019

Scroll To Top